Er was eens...
Het verhaal van het trollenpad

Hoofdstuk 20


“Waar gaan we dan naartoe?” vroeg ze.
“We gaan naar mijn mama en papa,” zei Finn resoluut,
“dat is dichtbij het bos en vandaar zien we wel.”
“Wat ga jij dan doen Gudula?” vroeg Emma.
“Och, kind. Maak je maar geen zorgen om mij..
Ik vind het een goed idee van Finn, volg hem maar."
De soep pruttelde al. Het had een vreemde geur vond Finn.
“Het is gereed,” zei Gudula triomfantelijk, “hier, schep maar uit Pieter!”
De heks zette de grote pot op tafel en Pieter deed wat hem gevraagd werd.
Gudula zette zich op de ene stoel, Finn op de andere. De rest ging op de banken zitten.
Ze wachtten even en keken gespannen naar Gudula.
“Kom, drink maar op! Alles in een keer!”
En iedereen slurpte zijn kommetje leeg in een mum van tijd.
Iedereen keek even naar elkaar. Er gebeurde niets. Pieter liet een boertje.
“Het komt wel, als de zon er is kindjes!”
“Ok, laten we naar de rand van het bos gaan nu!” riep Finn.
Iedereen zette zich recht en maakte zich gereed.
“Wat ga jij dan doen, Gudula?” vroeg Emma.
“Ik blijf nog even hier om te zien of de duivel je niet zal dwarsbomen. Ga maar, de zon komt
gauw op!”
“Kom, we gaan,” riep Finn en sprong van zijn stoel, “Bastiaan, weet j ij de weg?”
“Ja, hoor! Volg mij maar!” Iedereen sprong de deur uit, behalve Emma.
Zij sprong in de armen van Gudula en knuffelde haar.
“Dankje wel, Gudula,” zei ze, “voor alles!”
“Och kind,” zei de heks in tranen, “het is ik die j e moet bedanken. Ga maar en geniet van je
kindertijd, dat is wat ik voor jullie bewaard heb met mijn toverdrank.”

Hoofdstuk 21


mma rende de deur uit en haalde de rest in. Gudula veegde de tranen van haar gezicht met
haar blauwe voorschort en dronk toen ook haar kommetje soep leeg in een teug.
Daarna ging ze naar buiten bij de waterput staan, waar de eerste zonnestralen haar zouden
kunnen raken en wachtte geduldig. De trollen renden zo hard ze konden, allemaal achter
Bastiaan aan. Tot die stopte, aan de rand van het bos.
Ze waren buiten adem en staarden naar de velden. In de verte, aan de horizon, kleurde de hemel
roze-rood. “En nu?” vroeg Pieter. “Wachten op de zon,” zei Finn kalm, maar toch was hij
zenuwachtig en hij keek naar zijn samengeknepen vuistjes.
Ze hadden nog steeds die groen, bruine kleur.
“Wat als het niet lukt?” vroeg Saartje angstig.
“Dan veranderen we in een houten beeld,” zei Finn “en Gudula zal ons wel helpen”.
Iedereen keek even naar elkaar en toen kwam de zon op. Een rode bol aan de horizon.
Het licht scheen over de vlakte. “Kom,” zei Finn,” we gaan!” “Wacht nog even,” riep Emma.
Maar Finn was niet te houden en zette het op een lopen.
Hij wist waar hij was, hij wist waar zijn huis was. Niets kon hem tegenhouden om terug naar
mama en papa te gaan.

 

Hoofdstuk 22
Finns ouders hadden besloten om bij het krieken van de dag naar het bos te gaan om hem te
zoeken. Mama wandelde met haar armen gekruist en had een dikke sjaal aan.
Ze keek naar haar voeten en snotterde af en toe.
Van de kou zou je denken, maar papa wist beter.
“Komaan, mams, we gaan hem heus wel vinden,” zei de papa die flink doorwandelde, turend
naar het bos in de verte.
“Oh, hij is al zo lang weg! Er zal hem toch niets overkomen zijn?”
Papa aarzelde even. “Hij is vast ok.”
De zon scheen haar eerste stralen over de vlakte. Ze stapten allebei in stilte verder.
“Zouden we niet beter de politie bellen?” “Nee! We gaan eerst zelf eens zoeken in het bos en
als we…” Papa bleef plots staan, als bevroren. “Wat is er?”
“Sttt ! Ik hoorde iets. Heel vaag in de verte.”
Hij keek gespannen van links naar rechts over de vlakte en naar het bos.
Het was een geluid dat hij kende, of had hij gedroomd?

Hoofdstuk 23

Finn holde verder. Zijn hart klopte in zijn keel.
“Ik ga naar huis,” mompelde hij tegen zichzelf keer op keer opnieuw.
Hij rende het veldbaantje op dat hem langs de weides terug naar huis zou leiden.
De zon was nu helemaal op en Finn moest zijn hand boven zijn ogen houden om niet verblind te
worden. Opeens stopte hij abrupt.
Het was een mensenhand! Het was zijn hand! Finn lachte luid en lang.
Hij was geen trol meer, maar terug mens.
Hij draaide zich om naar de boskant en riep: “Kom maar! Het is ok! Kijk maar!”
En hij zwaaide als een gek met beide handen.
Op dat moment sprong er iets voor hem op de weg!
“Loebas!” De tranen sprongen in Finns ogen. De grote, witte hond sprong tegen de jongen aan
en slobberde heel zijn gezicht af. Finn lachte.
“Stop, Loebas! Straks heb ik een handdoek nodig!” De hond blafte blij. Finn greep zijn leiband.
“Kom jongen, we gaan naar huis!” Loebas blafte opnieuw en zette het onmiddellijk op een lopen,
Finn achter hem aan sleurend.
“Woow! Niet zo snel, straks vallen we nog!” Maar Loebas was te enthousiast en rende zo hard
hij kan. Breed grijnzend met zijn tong uit zijn bek. Finn kon hem niet meer houden en de hond
rukte zich los. Finn viel op de grond, maar had zich geen pijn gedaan.
Hij zette zich recht en begon onmiddellijk verder te lopen. Finn glimlachte, de hond was al een
heuveltje over gelopen en Finn zag hem even niet meer. “Wacht even, ik kom eraan!”

 

trollenpad_p13.png

Hoofdstuk 24

 

“Daar! Kijk, daar loopt iets!” schreeuwde papa triomfantelijk.
“Een hond…onze hond?” mama kon het bijna niet geloven.
“Ja, Loebas! Hij weet misschien waar Finn is. Kom mee!”
Ze ontmoetten elkaar ergens onderaan de heuvel.
Na veel geknuffel en gelik vroeg mama: “Loebas, waar is Finn?”
De hond zette een paar passen achteruit en blafte. Dan draaide hij zich om en rende terug van
waar hij kwam, de heuvel over.

Mama en papa keken even naar elkaar en wouden net verder stappen toen er iets over de
heuvelrug kwam aangerend.
Mama zette zich recht en begon te lopen.
De tranen sprongen in haar ogen. “Het is Finn! Finn!”
“Mama!” Finn lachte triomfantelijk.
Ze sprongen elkaar in de armen. Ze waren beiden buiten adem, maar toch ratelde mama verder.
“Och, mijn lieve jongen! Waar ben je geweest? Wat is er gebeurd? Waarom kwam je niet naar
huis? Heb je je pijn gedaan?”
“Och, mama het is een lang verhaal en ik heb reuzehonger. Gaan we eerst naar huis?”
“Ja, natuurlijk! Ik heb koekjes gebakken. In de vorm van een trol je gaat ze zeker lekker
vinden.” “Een trol?” Finn keek verbaasd naar zijn mama.
“Ja dat vind je toch leuk? Weet je, vroeger zeiden ze dat er in dat bos trollen waren.”
“Ja, misschien wel. Heb je er genoeg gebakken?” “Hoe bedoel je?”
“Ik breng misschien wat vriendjes mee.”
"Kijk,” zei papa, "daar zijn vier andere kinderen”.
En daar waren ze. Emma, Saartje, Pieter en Bastiaan.
Ze renden allemaal de heuvel af met Loebas, blaffend op kop.
“Ik denk wel dat er koekjes genoeg zijn,” zei papa lachend.
“Kom, we gaan naar huis!

trollenpad_p14.png

Hoofdstuk 25

 

Thuis zette iedereen zich rond de grote tafel in de keuken en smulden
van de koekjes met een grote kop melk. Iedereen was dolgelukkig
en Loebas rende enthousiast blaffend in cirkels rond de tafel.
Mama bakte gauw wat extra koekjes en papa vulde de melk aan.
Het was een leuk feestje die dag.
Ze vielen wel snel in slaap, maar ze wisten allemaal
dat wanneer ze wakker werden nog steeds mensen kinderen zouden zijn.

EPILOOG


De zon scheen fel op de open plek voor het huisje.
Gudula stapte langzaam naar de waterput.
Ze legde haar hand op de stenen rand van de put.
Ze wachtte even en zette dan aarzelend een paar passen verder.
Bij elke stap die ze achterliet verscheen een mooie, witte bloem.
Enkele meters voorbij de waterput veranderde ze opeens terug in een mooi, jong meisje.
Ze keek naar haar mooie, slanke handen en barstte in tranen uit.
“Dankje wel, Finn,” fluisterde ze.
En ze stapte verder en verder tot de rand van het bos.
Telkens een bloem achterlatend, bij elke stap.
Toen ze de weides zag, haalde ze even diep adem en stapte toen verder het veldbaantje op.
En na drie stappen verdween ze met een glimlach op haar gezicht.

trollenpad_p15.png