Er was eens...
Het verhaal van het trollenpad

Hoofdstuk 17 

 

En ze holden allemaal snel de deur uit.
Finn keek nog even naar zijn handen.
Hij voelde zich sterker en sneller.
Het licht was fel in de woonkamer.
“Ok, ik ga mee,” riep hij en holde hen achterna.
“Zie zeker dat je voor zonsopgang terug bent,” riep Gudula nog.
In een mum van tijd had hij de rest ingehaald.
Hij liep naast Bastiaan, vooraan.
Hij kon alles perfect zien in het donker.
Er verscheen een verbeten glimlach op zijn gezicht.
“Waar is die bloem precies?”
“Niet zo heel ver, tien minuutjes lopen op een open plek midden in het bos.”
“Hoe oud ben jij eigenlijk,” vroeg Finn aan Bastiaan tijdens het rennen.
“Ik weet het niet…ik was zes jaar! Ik denk dat ik nog altijd zes jaar ben, ik ben toch
nog niet verjaard.”
“En hebben jullie allemaal zomaar gezegd dat jullie gingen helpen?”
“Ja, natuurlijk,” zei Pieter, “anders waren we toch geen trollen?”
“Ik vind het wel fijn om trol te zijn,” zei Emma glimlachend.
“Jij vindt alles fijn, jij,” antwoordde Saartje nukkig, “zijn we er bijna?”
“Ja, nog even,” zei Bastiaan.
“Maar, maar zijn jullie dan nooit terug gegaan naar jullie mama en papa?”
“We kunnen het bos niet uit en in het zonlicht veranderen we in een houten beeld!”
Finn herinnerde zich wat Gudula had gezegd toen hij het huisje uitliep.
“Maar jij bent de vijfde trol,” zei Saartje met een ernstige blik, ”nu kunnen we de vloek
doorbreken en met de laatste
toverdrank weer mens worden.”

 

“Hey Bastiaan, hoe weet je nu eigenlijk hoe die bloem eruit ziet?”
“Wel, op een nacht was ik kruiden gaan plukken en opeens zag ik een bloem die ik nog nooit gezien had.
Het was een vreemde bloem en heel groot.
Ze stond helemaal alleen in het midden van een open plek in het bos waar ik nog nooit geweest was.
Ik kwam daar nooit omdat ik weet dat daar geen kruiden groeien, maar mijn aandacht was getrokken door
iets dat voor mij uit fladderde.
Ik dacht dat het misschien het elfje was waar Gudula over sprak en zo kwam ik terecht op de open plek.
Het is een vreemde bloem, maar ook heel mooi.
Zeker in het maanlicht, het lijkt wat op een zwartblauwe rapunzel, maar dan veel groter.”
“Huh? Rapunzel is toch een…”
“Sjjjjj !,” zei Bastiaan en hij stak zijn hand op terwijl hij abrupt stopte.
Finn rende er klets tegen aan en viel op zijn achterste.
Emma hielp hem recht.
“Wat is er,” vroeg Pieter?
Bastiaan wees met zijn vinger naar een open plek in het bos.
Iedereen snakte even naar adem.
“Dat is geen bloem,” zei Saartje verbaasd.
“Het is een wilgenhut,” zei Finn, “en er zit iemand in!”

Hoofdstuk 18

Het was inderdaad een wilgenhutje.  Door de openingen tussen de takken kon je nog net de bloem zien.
“De bloem staat er nog,” fluisterde Bastiaan enthousiast.
“Wat zit ernaast?” vroeg Pieter.
“Het lijkt op een trol, zoals ons,” zei Emma.
“Dat… is geen trol,” zei Saartje verbeten.
Het had puntoren en was kaal.
De huid was donkergrijs.
Het was niet zoveel groter dan Pieter en zat in kleermakerszit naast de bloem met zijn rug naar de trollen
gekeerd.
Het mompelde wat tegen zichzelf en zong af en toe een liedje.
Het had een raspend hoog stemmetje, Finn vond het een vreselijk geluid.
“Een, twee, drie, vier, vijf! Wat haat ik dat oud wijf! Hihihihi!”
De grijze schouders en het hoofd met puntoren schokten op en neer toen het lachte.
“Wat gaan we doen,” fluisterde Emma.
“We moeten de bloem hebben, “ antwoordde Finn. “Kom mee, misschien is het helemaal niet boosaardig?”

Samen stapten ze uit het struikgewas, Finn vooraan.
Halverwege op de open plek stopte hij, de rest bleef op een lijn naast hem staan.
Het wezen had zijn hoofd gedraaid en keek hen van tussen de wilgentakken aan.
Het had bloedrode ogen en een gemene glimlach met vlijmscherpe, witte tanden.
“Daar zijn ze dan! Gudula’s vijf lieve trolletjes! Hihihihi!”
Emma sloeg haar handen voor haar gezicht uit schrik.
Finns hart bonkte in zijn keel.
“Het is de duivel,” fluisterde Pieter schor.
Langzaam kroop het uit de wilgenhut en bleef op een paar meter van de trollen staan. Het krijste!
“Wat dachten jullie nu? Dat ik jullie zomaar de bloem zou laten plukken?
NEE! Gudula blijft voor eeuwig met mij in het bos! En van jullie maak ik trollenstoofpot! Hihihihi!”
De trollen deinsden achteruit in vrees. Op eentje na.
“Dat had je gedacht! jiij lelijke aap!” Saartje stormde met gebalde vuisten
en opeengeklemde tanden vooruit.
De duivel haalde een toverstokje tevoorschijn.
Het leek op een krom, zwart, verbrand twij gj e.
Hij wees er mee naar Saartje die kwam aangelopen en met een enorme sprong
nam om hem aan te vallen.
Een helblauwe toverstraal trof haar en ze viel pardoes op de grond.
Ze kreunde met toegeknepen ogen.
Het leek alsof ze zich lelijk pijn had gedaan.“

Saartje!” schreeuwde Finn en rende naar haar toe.
De rest volgde, maar Pieter was sneller.
De duivel stond nu voorovergebogen boven Saartje, toverstok in de aanslag.
“Jij gaat lekker smaken! Hihihihi!”
“BOE!” Pieter deed waar hij het beste in was en de duivel verschoot zich een hoedje.
Bastiaan maakte ervan gebruik om Saartje weg te slepen en haar te verzorgen met een paar
kruidenzalfjes.
Finn had ondertussen een korte, dikke stok gevonden.
De duivel schreeuwde boos tegen Pieter. “Daar zal je voor boeten!”
Pieter was bang en deinsde achteruit.
De duivel richtte zijn toverstok op de bibberende trol.
Maar daar was Emma opeens.
Ze nam Pieters handen en met een paar bliksemsnelle danspassen, zwaaide ze hem uit de weg.
De helblauwe toverstraal miste doel.

De duivel schreeuwde luid met wijd opengesperde mond.
“Hier! Eet dit maar!” riep Finn en wierp met al zijn macht de korte,
dikke stok naar het krijsende wezen.
De stok trof de duivel recht in het oog en hij viel achterover op de grond.
De trollen juichten en Emma rende al naar de opening in de wilgenhut.
Maar de duivel zette zich terug recht met een dichtgeknepen oog.
“Dat zet ik je betaald, jiij smerige trol!” En hij richtte zijn toverstok op Finn.
Op dat moment sprong er iets groot en wit uit het struikgewas en spurtte naar de duivel.


“Loebas!” Finn kon wel huilen van geluk.
De hond greep de duivel tussen zijn tanden en rende ermee vandoor het donkere bos in.
De duivel krijste: “Laat me los, stom beest! Of ik verander je in een kikker!”
“Hey, je komt toch terug straks? Loebas!”
Finn aarzelde even, maar holde toen naar Saartje en Bastiaan om te zien hoe het met haar was.
Saartje kreunde nog wat, maar stond al gauw weer recht dankzij de kruidenzalfjes van Bastiaan.

“Alles ok Saartje?”
“Ja, hoor ’t gaat wel.”
En ze liep langzaam naar de plek waar de duivel was gegrepen door de hond.
Ze stampte met haar voet de zwarte toverstok die hij had laten vallen kapot.
“Ik heb de bloem,” zei Emma die erbij kwam.
“Kom,” zei Pieter, “gauw terug naar Gudula nu!”
En als de wind renden ze terug naar het kleine huisje.
Finn keek nog even achter zich of hij Loebas niet zag.
“Hij zal me vast niet herkend hebben zo,” mompelde hij.

trollenpad_p10.png
trollenpad_p11.png
trollenpad_p12.png

Hoofdstuk 19

 

Buiten adem bereikten ze de hut. De deur stond open en op de drempel stond Gudula met een
lantaarn gespannen te wachten. “Kom vlug binnen, kinderen! Kom!”
“We hebben de bloem,” riep Bastiaan!
“Oh, zeer goed” glimlachte de heks, “kom, allemaal naar binnen!”
Toen de laatste trol naar binnen was, zwaaide ze nog even met haar lantaarn van links naar
rechts. Om te zien of de duivel hen niet achtervolgde. Dan sloot ze de deur.
“Kom, lieverds! We moeten ons haasten nu!
Emma, zet de pot maar op het vuur. Bastiaan, doe de bloem er maar in.
Pieter, zet de kommetjes maar gereed…ook voor mij eentje nu.
Saartje, pak de lepeltjes maar. Finn, geef me dat kleine, gele flesje, onderaan links in de kast.”
Iedereen schoot in actie, het was een drukke bedoening. “Wanneer jullie deze soep op hebben
dan lopen jullie zo snel mogelijk naar de rand van het bos!
Als de zon op jullie schijnt worden jullie weer mens! Vergeet je kleren niet, ze liggen in de grote,
zwarte kist naast de groene kast.
Eindelijk, kinderen! Eindelijk zijn we gered!” En ze goot water en kruiden en de inhoud van het
gele flesje, allemaal bij elkaar in de grote kookpot op het vuur. Daarna begon ze stevig te roeren
en mompelde woorden die niemand begreep. Iedereen deed zijn mensenkleren aan. Sommige
daarvan leken heel oud. Pieter leek wel uit de middeleeuwen te komen en Emma uit de tijd van
Finns opa. Niemand zei er wat van, iedereen vond het reuze spannend.
Behalve Emma misschien, ze leek wat bezorgd